Reddingius gedicht 'Zomermorgen',
 

verschenen in het augustusnummer 1917 van het tijdschrift Groot Nederland (blz 137-138). De 44-jarige Reddingius droeg het optimistische gedicht op aan de jonge dichter Jan. J. Zeldenthuis (1894- na 1962)

Zomermorgen.

Aan Jan J. Zeldenthuis.

'k Herdenk dien schoonen zomermorgen,
toen stil wij liepen langs het graan,
gestegen boven kleine zorgen
van menschensmart en menschenwaan;
wij hoorden 't uchtendbriesje varen
langs zon-doorgloeide korenaren,
't was schoon dat wieglen ga te slaan.

Gij waart een onbezorgde jongen,
die toch diep-ernstig wezen kon,
de leeuwerikken helder zongen,
de lucht was blauw, doorlicht van zon,
't was of die heldre zangers riepen
de droomers, die tevreden liepen,
daar lied van vreugd iets droefs verwon.

'k Heb ongestoord bij hooge schoven
u veel van 't levend lied verteld,
bewaar den schat, dien geen kan rooven,
strijd voor de schoonheid als een held,
laat liefde in al uw liedren leven,
daar is niets schooners dan te geven,
rijk-handig tot de dood u velt.

Vraag nooit, waar is het lied gebleven,
ééns mijn dag zoo licht deed zijn,
sta sterk in 't leven zonder beven
en glimlach om een oude pijn.
Zing luid, of fluister, diep-bewogen,
geluk van rust leve in uw oogen,
verkwik wie lijdt met 's geestes wijn.

Weet gij nog, vriend, hoe zon en zangen,
ons in den morgen luistren deed,
verinnigd door een schoon verlangen,
dat machtig door ons leven gleed?
Droeg niet ons fijn-onsterflijk wezen
een liefdeluister, zonder vreezen,
twee kindren wij, bevrijd van leed?

Meer over Reddingius lezen? Klik HIER en scroll door naar pagina 9

Copyright 2017 Historische Vereniging Oud Bennekom
Website by Henzen ontwerp & communicatie