Bij het overlijden van Max van Weezel…

door Kees Heitink

Op 11 april 2019 overleed parlementair journalist Max van Weezel. Hij werd 67 jaar. Max van Weezel nam op 15 mei 2012 in een volle Oude Kerk in Bennekom het eerste exemplaar in ontvangst van ons boek  ‘Bennekom, een Joods Toevluchtsoord 1940-1944’, het resultaat van jarenlange studie, speuren en overleg. Wij waren enorm blij dat hij zonder aarzelen onze gast wilde zijn.

Max van Weezel, na de oorlog geboren, kwam vaker in Bennekom. Zijn vader, Richard van Weezel, had gedurende de oorlogsjaren Bennekom gebruikt als schuilplaats (noot 1). Het grootste deel van die onderduikperiode bracht Van Weezel door op de (inmiddels afgebroken)  boerderij ‘De Grietjeshoeve’, aan de Achterstraat in Bennekom. Met de onderduikverleners de familie Beekhuizen werd een bijzondere band opgebouwd die nog altijd bestaat.

De toespraak die Max van Weezel in 2012 hield is bewaard gebleven. Hij vertelde over zijn joodse achtergrond, over de rol van Bennekom in zijn leven en met nadruk over een centrale notie in zijn opvoeding:  “Wees de onderduikouders van je ouders eeuwig dankbaar. Zonder hen had je zelf niet bestaan”.

Max van Weezel op 15 mei 2012: “Ik hoor bij de zogenaamde tweede joodse generatie, de generatie die na de oorlog geboren werd en de verhalen over die vreselijke tijd alleen uit overlevering kent. De generatie die is opgegroeid met: “een groot deel van je familie is omgekomen in concentratiekampen als Auschwitz en Sobibor. Je ouders hebben het gered dankzij het feit dat ze op tijd konden onderduiken. De generatie die weet: zonder de inzet van de bankwerkers, timmermannen en boeren die de joden die op de vlucht waren onderdak boden, had je zelf niet bestaan”.

Max van Weezel met de auteurs Ad Nooij en Kees Heitink

Bennekom
“Mijn vader, die in 1984 is overleden, heette Gershom. Dat was zijn joodse naam die ook op zijn grafzerk op de joodse begraafplaats in Muiderberg staat. Zijn ouders noemden hem Richard. In Bennekom heette hij Henk. Na de oorlog werd hij daar Henk de Jood genoemd.” (…)
Tegen het voorjaar van 1943 werd de grond mijn vader te warm onder de voeten. Hij leefde toen in Amsterdam. Met hulp van het ondergrondse verzet wist hij te ontsnappen. Naar de boerderij de Grietjeshoeve die toen aan de Achterstraat lag.
In Bennekom, Joods Toevluchtsoord vertelt Geurtje Beekhuizen, dochter van het boerenechtpaar dat de Grietjeshoeve bewoonde: ‘Ik zat te melken met mijn broer Gert toen Paul de Nooij van de ondergrondse een onderduiker kwam brengen. Ze kwamen in de keuken en mijn moeder vroeg: ‘Wat voor geloof heb je?’. Hij zei: ‘Éen vrij geloof’. Geurtje: ‘Ik dacht toen meteen dat het een jood was, maar dat hebben we hem nooit gevraagd’.(…)
Het sprak vanzelf dat Henk meedeed met bidden voor het eten en op zondag naar de kerk gaan. Ik heb van mijn vader ook altijd begrepen dat hem dat geen enkele moeite kostte. Hij was al lang blij dat hij op de Grietjeshoeve onderdak had gevonden.
Veel joodse onderduikers leidden een totaal van de buitenwereld afgesloten bestaan. (…) Ik kan U verzekeren dat zo’n leven niets voor hem was geweest. (…) Heitink en Nooij schrijven wat ik ook altijd van mijn vader heb gehoord: hij melkte de koeien, hij verzorgde de kippen, hij deed alles dat je als boerenknecht te doen had. Zijn moeder die in Friesland ondergedoken zat, kwam wel eens op bezoek. Hij ging haar in het dorp ophalen. Hij was voor niets en niemand bang. Een beetje overmoedig achteraf. ‘Het is een wonder dat hij nooit is opgepakt’ merkt Geurtje in het boek terecht op (…)

Zoals verteld ben ik opgegroeid met het gebod: wees de onderduikouders van jouw ouders eeuwig dankbaar. Het klinkt logisch, toch sprak het in de jaren na de bevrijding niet helemaal vanzelf. Er hebben zich tussen onderduikouders en joodse Nederlanders meer conflicten voorgedaan dan me lief is: over kinderen die gedoopt waren of kinderen die geen joodse ouders meer hadden, soms ook over geld. Dat soort ellende is ons gelukkig bespaard gebleven.
De families Beekhuizen en Van Weezel zijn altijd met elkaar bevriend gebleven. Als kleine jongetjes keken mijn broer Ronald en ik uit naar de weekendjes op de Grietjeshoeve waar we achter de koeien konden aanrennen en de kippen mochten voeren. (…) We hebben de boer en de boerin zoals we ze noemden leren kennen, en hun kinderen Gert, Geurtje en Jan. Hun schoondochter Driek, hun kleindochter Heleen, hun achterkleinzoon Jeroen. Ik ben bij de begrafenis van Gert geweest. Heleen, die helaas veel te jong is overleden, werd door mijn broer mee naar Israël genomen en kwam daar in contact met dat deel van onze familie dat zich in dat land heeft gevestigd. Het is een onverbrekelijke band”. (…)

In 2007 was ik aanwezig in Zaanstad bij de presentatie van een boek waarin de onderduikgeschiedenis van mijn moeder is vastgelegd. (…) Nu, in 2012 ben ik in Bennekom bij de presentatie van ‘Bennekom, een Joods Toevluchtsoord. Dankzij deze boeken heb ik weer een stukje van mijn vader en moeder terug.”

Bovenstaande woorden, uitgesproken door Max van Weezel, benadrukken nog eens het enorme belang van onderduikverleners en onderduikouders. Zij pleegden verzetsdaden in meerderheid uit pure naastenliefde, met een dagelijks gevaar voor eigen leven.

Bennekom, april 2019

 Noot 1: Over Richard van Weezel: ‘Bennekom, Joods Toevluchtsoord 1940-1944’. Bennekom, 2012 en 2016 (2e druk):  blz. 111, 136, 137, 166, 176, 229

X